ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Wezenpensioenen kinderen mogen niet in mindering worden gebracht op Ioaw-uitkering
Appellante ontvangt een Ioaw-uitkering als alleenstaande ouder en daarnaast een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Na het overlijden van haar ex-partner zijn aan haar kinderen wezenpensioenen toegekend, die zij op haar rekening ontvangt. Het College bracht deze wezenpensioenen volledig in mindering op haar Ioaw-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de wezenpensioenen als inkomen in verband met arbeid moesten worden beschouwd en daarom in mindering mochten worden gebracht.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de wezenpensioenen een zelfstandige aanspraak van haar kinderen zijn en niet tot haar inkomen gerekend mogen worden. De Raad heeft bij het pensioenfonds ABP geïnformeerd en bevestigd gekregen dat de kinderen een zelfstandige aanspraak hebben op deze pensioenen. De Raad concludeert dat de wezenpensioenen niet tot het inkomen van appellante behoren zoals bedoeld in de Ioaw.
De Raad vernietigt het besluit van het College en het eerdere vonnis van de rechtbank, herroept het primaire besluit en veroordeelt het College in de proceskosten van appellante. Tevens wordt het betaalde griffierecht vergoed. De wezenpensioenen mogen niet in mindering worden gebracht op de Ioaw-uitkering van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de wezenpensioenen van de kinderen niet in mindering mogen worden gebracht op de Ioaw-uitkering van appellante en vernietigt het besluit van het College.