ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3029
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet gegrond verklaard
Appellant ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Het College beëindigde de bijstand met ingang van 1 augustus 2003 wegens vermeende onvolledige informatie over de woon- en gezinssituatie. Er werd een onderzoek ingesteld naar een mogelijke gezamenlijke huishouding met betrokkene, mede vanwege inschrijving op hetzelfde adres en huisbezoek.
Het College concludeerde dat sprake was van gezamenlijke huishouding en herzag de bijstand over de periode 30 oktober 2002 tot en met 31 juli 2003, met terugvordering van bijstandskosten en oplegging van een boete. De rechtbank vernietigde dit besluit en gaf het College opdracht een nieuw besluit te nemen volgens de Wet werk en bijstand (WWB).
Het College nam een nieuw besluit waarbij de terugvordering werd beperkt tot 30 oktober 2002 tot 30 juni 2003. De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het nieuwe besluit in de plaats is getreden van het bestreden besluit. De Raad oordeelt dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor een gezamenlijke huishouding, mede omdat betrokkene het adres als postadres gebruikte en geen onderzoek in de woning is gedaan.
De Raad vernietigt het besluit van 5 september 2005 en herroept de besluiten van 15 december 2003 en 9 januari 2004. Er is geen sprake van schending van de inlichtingenplicht. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt vernietigd en eerdere besluiten worden herroepen.