ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2387
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding en geweigerd verzoek om herziening
Appellant had een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) die met ingang van 1 januari 1998 was toegekend. De Sociale verzekeringsbank (Svb) besloot op 27 februari 2003 dat appellant geen recht had op een nabestaandenuitkering over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 mei 1999 vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met een partner op een gezamenlijk adres.
Appellant stelde dat er sprake was van een meerpersoonshuishouden en dat het gewijzigde beleid van de Svb per 1 mei 2003 dit recht op nabestaandenuitkering zou doen voortbestaan. Hij verzocht om herziening van het besluit, maar dit verzoek werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep bracht appellant nieuwe stukken en getuigen naar voren om aan te tonen dat sprake was van een meerpersoonshuishouden. De Raad oordeelde dat het beleid van de Svb omtrent terugkomen op een onherroepelijk besluit binnen redelijke beleidsgrenzen bleef en dat de Svb niet onrechtmatig had gehandeld. Wel vernietigde de Raad het besluit van afwijzing van het verzoek om herziening omdat de Svb het gewijzigde beleid pas in hoger beroep als motivering had aangevoerd.
De Raad liet de rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit echter in stand, waardoor de terugvordering van de teveel betaalde uitkering blijft bestaan. De Raad wees ook een veroordeling in proceskosten af en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het verzoek om herziening wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit blijven in stand.