ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over hoogte maandelijkse aflossing bij schuld na beëindiging bijstandsuitkering
Appellant was maandelijks aflossingen aan het verrichten op een schuld bij het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam, ontstaan door teveel betaalde bijstand. Na beëindiging van de bijstandsuitkering werd de beslagvrije voet en het aflossingsbedrag opnieuw vastgesteld. Het College stelde het aflossingsbedrag bij besluiten van 2 september 2004 en 30 maart 2005 vast op respectievelijk € 228,46 en € 189,94.
Appellant maakte bezwaar tegen deze bedragen en voerde aan dat het aflossingsbedrag te hoog was en betwistte tevens de hoogte van de schuld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat alleen de hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag aan de orde was en dat het College het bedrag had vastgesteld volgens een beleidsregel die binnen redelijke grenzen ligt. Deze regel houdt in dat het aflossingsbedrag wordt berekend als 10% van de bijstandsnorm plus 35% van het verschil tussen het netto inkomen en de bijstandsnorm inclusief gemeentelijke toeslag.
De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die een gunstiger afbetalingsregeling voor appellant rechtvaardigden en concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.