ECLI:NL:CRVB:2006:AY9602
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen mandaatverlening NV Werk door College Amsterdam
Appellanten, twee stichtingen gevestigd te Amsterdam, maakten bezwaar tegen besluiten van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam waarin mandaat werd verleend aan NV Werk en haar directeur voor het verstrekken van loonkosten- en scholingssubsidies op grond van de WWB.
Het College verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond. Appellanten gingen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat appellanten slechts een principieel belang hadden om een rechterlijk oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van het mandaat. Gezien het ontbreken van concreet belang en het feit dat sinds juni 2005 geen gebruik meer werd gemaakt van het mandaat en NV Werk in liquidatie was, ontbrak voldoende procesbelang.
Ook het na het bezwaar wijzigen van de statuten van appellante 1 om het voeren van rechtsgedingen over mandaatverlening als doel op te nemen, was onvoldoende omdat dit na het verstrijken van de bezwaartermijn plaatsvond.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard wegens gebrek aan procesbelang en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.