ECLI:NL:CRVB:2006:AY8406
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 1 mei 1996 een AOW-pensioen volgens de norm voor ongehuwden. Uit onderzoek bleek dat betrokkene al 30 jaar bij haar inwoonde, zonder dat zij dit had gemeld bij de aanvraag. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag daarom het pensioen per 1 mei 1996 naar de gehuwdennorm, omdat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad beoordeelde de situatie in twee periodes: voor en na 2 januari 1998, waarbij de definitie van gezamenlijke huishouding was gewijzigd. In beide periodes was voldaan aan de criteria van gezamenlijke huishouding, waaronder het delen van huisvesting en bijdragen in de huishoudkosten.
De Raad verwierp het argument van appellante dat er sprake zou zijn van een commerciële relatie, mede omdat de woning te klein was voor zelfstandige bewoning en appellante regelmatig met betrokkene meeging naar diens zomerhuisje. Er waren geen dringende redenen om af te zien van herziening. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van het AOW-pensioen van appellante naar de gehuwdennorm vanaf 1 mei 1996.