ECLI:NL:CRVB:2006:AY8253
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) berekend naar de norm voor een alleenstaande. Na onderzoek door de sociale recherche bleek dat appellant en betrokkene een gezamenlijke huishouding voerden, terwijl zij beiden bijstand ontvingen. Het College trok de bijstand van appellant met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten van de verleende bijstand terug.
Appellant voerde aan geen gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd en stelde dat hij een aparte kamer had en dat de verklaring van betrokkene onder invloed van drugs was afgelegd. De Raad oordeelde dat de objectieve feiten, zoals verklaringen van partijen en overige stukken, voldoende bewijs boden voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding. De motieven en aard van de relatie zijn niet relevant voor de beoordeling.
De Raad stelde vast dat appellant als gehuwd moet worden aangemerkt en geen recht had op bijstand als alleenstaande. Omdat appellant de inlichtingenplicht had geschonden, was het College bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd.