ECLI:NL:CRVB:2006:AY4589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-melden gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande, maar het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde na onderzoek vast dat zij samenwoonde met haar echtgenoot, hetgeen niet was gemeld. Hierdoor had zij geen recht op een uitkering volgens de norm voor alleenstaanden. Het College herzag het recht op bijstand en vorderde de onterecht ontvangen uitkering terug.
De rechtbank vernietigde het besluit van het College, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat zij oordeelde dat de vraag niet was of sprake was van een gezamenlijke huishouding, maar of de echtgenoten duurzaam gescheiden leefden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante en haar echtgenoot vanaf 1 maart 2001 niet duurzaam gescheiden leefden, en dat appellante daarmee geen zelfstandig recht op bijstand had.
De Raad stelde vast dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding. Het College was daarom bevoegd om de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 november 2002 te herzien en terug te vorderen. Er waren geen dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien. De Raad bevestigde daarom het bestreden vonnis voor zover dit de rechtsgevolgen betrof.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens het niet melden van de gezamenlijke huishouding.