ECLI:NL:CRVB:2006:AY3565
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding vrijlatingsgrens vermogen
Appellant ontving een bijstandsuitkering die werd beëindigd omdat hij beschikte over vermogen boven de vrijlatingsgrens. Het College van B&W trok de bijstand in en vorderde terugbetaling over de periode van 7 november 2002 tot en met 31 mei 2003. Appellant stelde dat het recht op schadevergoeding pas later was ontstaan en betwistte de terugvordering.
De Raad oordeelde dat het vermogen vanaf het ongeval in 1994 moet worden toegerekend en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan. De immateriële schadevergoeding werd voor 60% buiten beschouwing gelaten, conform beleid. Het hoger beroep over de beëindiging van de bijstand per 1 juni 2003 werd niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant daartegen geen beroep bij de rechtbank had ingesteld.
De Raad bevestigde het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand en oordeelde dat geen sprake was van dringende redenen die terugvordering zouden verhinderen. Ook werd geen inbreuk op het recht op privacy volgens artikel 8 EVRM Pro vastgesteld. Het beroep tegen het besluit van 1 maart 2005 werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk voor beëindiging bijstand per 1 juni 2003; terugvordering bijstand bevestigd.