ECLI:NL:CRVB:2006:AY1931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beslissing over aanvraag bijzondere bijstand woonkostentoeslag na afwijzing huursubsidie
Appellant vroeg bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag nadat de Minister van VROM had bepaald dat hij geen recht had op huursubsidie over de periode 1 juli 2003 tot 30 juni 2004. Het College wees de aanvraag af omdat appellant geen bewijs leverde dat hij een beroep had gedaan op de hardheidsclausule van de Huursubsidiewet.
Appellant stelde in bezwaar en hoger beroep dat hij wel degelijk een beroep op de hardheidsclausule had gedaan via zijn bezwaar tegen het besluit van de Minister. De Raad oordeelde dat het verzoek in het bezwaar inderdaad als een beroep op de hardheidsclausule moet worden gezien, maar dat het College op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) niet bevoegd was om bijzondere bijstand te verlenen omdat geen sprake was van een noodsituatie.
De Raad vernietigde het besluit van het College wegens strijd met het motiveringsvereiste van de Algemene wet bestuursrecht en veroordeelde het College in de proceskosten van appellant. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven echter in stand omdat huursubsidie als voorliggende voorziening wordt beschouwd.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het College tot afwijzing van bijzondere bijstand wordt vernietigd.