ECLI:NL:CRVB:2006:AX8553
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en herziening bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand sinds 1987 als alleenstaande. Na een onderzoek door de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente ’s-Gravenhage ontstond het vermoeden dat appellant vanaf 1 februari 2002 tot 31 mei 2002 een gezamenlijke huishouding voerde met betrokkene. Dit leidde tot intrekking en herziening van bijstand over de periode 1 juli 1997 tot 31 mei 2002 en een boete.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat voor de periode 1 juli 1997 tot 31 januari 2002 onvoldoende bewijs is voor gezamenlijke huishouding en vernietigt het besluit over die periode. Voor de periode 1 februari 2002 tot 31 mei 2002 is wel sprake van gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.
De Raad verklaart het beroep tegen het boetebesluit van 9 mei 2005 gegrond wegens onjuiste vaststelling van het benadelingsbedrag. De Raad veroordeelt de gemeente tot vergoeding van proceskosten en bepaalt dat een nieuw besluit moet worden genomen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en herziening van bijstand over 1 juli 1997 tot 31 januari 2002 wordt vernietigd en het boetebesluit van 9 mei 2005 wordt eveneens vernietigd.