ECLI:NL:CRVB:2006:AV8805
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsrecht wegens niet-nakoming inlichtingenplicht en onduidelijkheid vermogen
Appellant en appellante ontvingen bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Gedaagde trok het recht op bijstand in over meerdere perioden wegens vermoedens van onverklaarbare vermogensbestanddelen en niet-nakoming van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep tegen een besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen een ander besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat appellante niet tijdig hoger beroep had ingesteld en verklaarde haar beroep niet-ontvankelijk. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende procesbelang had bij het beroep tegen een besluit van 10 juli 2003. De Raad bevestigde de intrekking van bijstand over de periodes waarin meerdere auto's op naam van appellant stonden en onverklaarbare stortingen plaatsvonden, omdat appellant niet aan zijn inlichtingenplicht had voldaan.
Voor de periode van 30 juni 2000 tot en met 31 december 2000 was de feitelijke grondslag voor intrekking echter onvoldoende, omdat niet was gebleken dat appellant in die periode auto’s op zijn naam had staan of onverklaarbare stortingen had. Daarom werd het besluit tot intrekking over deze periode vernietigd en werd gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen. De Raad veroordeelde gedaagde tevens in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante is niet-ontvankelijk verklaard; het besluit tot intrekking van bijstand over een deel van de periode is vernietigd en gedaagde is veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit.