ECLI:NL:CRVB:2006:AV7771
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten herziening ouderdomspensioenen wegens onjuiste toepassing gezamenlijke huishouding
Appellanten, voormalig gehuwd en sinds 1996 gescheiden, ontvingen ouderdomspensioenen volgens de norm voor ongehuwden. Na een onderzoek naar samenwoning, gebaseerd op tips en sociale recherche, stelde de Sociale verzekeringsbank vast dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en herzag hun pensioenen per 1 juni 2001 naar gehuwdennorm.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. Volgens artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder a, van de AOW is sprake van gezamenlijke huishouding indien betrokkenen gehuwd zijn geweest en samenwonen. De Raad stelt echter vast dat het huwelijk van appellanten in 1996 is ontbonden, langer dan twee jaar vóór de vastgestelde samenwoning, waardoor deze grondslag niet van toepassing is.
De Raad bevestigt dat appellanten vanaf mei 2001 samenwoonden, gesteund door verklaringen van buurtbewoners en een kleindochter, en dat de verklaringen van appellanten rechtsgeldig zijn afgelegd zonder ontoelaatbare druk. De Raad vernietigt de besluiten van 10 augustus 2004 en de uitspraak van de rechtbank, verklaart de beroepen gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van de herziening in stand omdat uit de relatie kinderen zijn geboren, wat een andere wettelijke grondslag biedt.
De Raad veroordeelt de Sociale verzekeringsbank tot betaling van proceskosten aan appellanten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak is openbaar en kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De beroepen worden gegrond verklaard en de besluiten van de Sociale verzekeringsbank worden vernietigd, met inachtneming van de rechtsgevolgen vanwege de geboorte van kinderen.