ECLI:NL:CRVB:2006:AV3993
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering bijstandsuitkering wegens onvoldoende feitelijke grondslag gezamenlijke huishouding
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van de gemeente Venlo waarin bijstandskosten over de periode 1 januari 1999 tot en met 31 oktober 2001 werden teruggevorderd op grond van het vermoeden van gezamenlijke huishouding met een derde, [K.]. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad beoordeelde of appellant in de genoemde periode een gezamenlijke huishouding voerde met [K.] zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw). De Raad concludeerde dat er onvoldoende feitelijke grondslag was voor die conclusie en dat de rechtbank dit niet had onderkend.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden vonnis en het besluit van 16 maart 2004, en verklaarde het beroep van appellant gegrond. De gemeente Venlo werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij ook moet worden beslist over het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten van bezwaarbehandeling.
Ten slotte veroordeelde de Raad de gemeente Venlo tot betaling van de proceskosten van appellant, begroot op €1.288, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €139.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt gegrond verklaard en het besluit van 16 maart 2004 vernietigd, met opdracht tot nieuw besluitvorming.