ECLI:NL:CRVB:2006:AV3010
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beëindiging en weigering bijstandsverlening wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1987 bijstand, laatstelijk als alleenstaande. Na vermoedens van gezamenlijke huishouding met mevrouw D. werd het recht op bijstand per 1 juni 2002 beëindigd. Nieuwe aanvragen voor bijstand werden afgewezen wegens niet verschijnen en ongewijzigde woonsituatie. Na een huisbezoek in september 2002 werd bijstand weer toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 2 juni 2003 ongegrond, stellende dat appellant niet had aangetoond dat zijn situatie was veranderd sinds de beëindiging. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn verblijf bij mevrouw D. was verminderd en dat het huisbezoek van juli 2002 onvoldoende was uitgevoerd.
De Raad oordeelt dat gedaagde ten onrechte de aanvraagdatum van 3 juli 2002 eenzijdig heeft gewijzigd naar 7 juni 2002, waardoor de situatie per 3 juli 2002 niet is beoordeeld. Dit leidt tot vernietiging van het besluit van 2 juni 2003. Appellant slaagt er echter niet in concreet aan te tonen dat hij vanaf die datum weer alleenstaand woonde. De bevindingen van het huisbezoek van 12 juli 2002 ondersteunen dit niet. De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 2 juni 2003 vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.