ECLI:NL:CRVB:2006:AV2066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Opleggen boete wegens niet tijdige hersteldmelding werkgever zonder wettelijke grondslag
De zaak betreft een boete van €227,- die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) oplegde aan een werkgever wegens een hersteldmelding die 12 dagen te laat was gedaan. De werkgever betwistte de boete en kreeg in eerste aanleg gelijk, waarna het Uwv in hoger beroep ging.
De Raad oordeelt dat hoewel artikel 38, vierde lid, van de Ziektewet (ZW) een boete aan de werkgever mogelijk maakt, de nadere regels voor de hoogte en afstemming van die boete via een algemene maatregel van bestuur (amvb) moeten worden vastgesteld. Ten tijde van het geschil ontbraken deze amvb-regels, waardoor het beleidsbesluit van het Uwv dat de boete regelde geen wettelijke grondslag had.
De Raad bevestigt daarom het vernietigen van het boetebesluit door de rechtbank en wijst het hoger beroep van het Uwv af. Tevens veroordeelt de Raad het Uwv in de proceskosten van de werkgever. De uitspraak benadrukt het belang van het legaliteitsbeginsel bij punitieve sancties en de noodzaak van een deugdelijke wettelijke basis voor boetebesluiten.
Uitkomst: De boete van €227,- wegens te late hersteldmelding wordt vernietigd wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag.