ECLI:NL:CRVB:2006:AV1846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1984 een AOW-pensioen voor een ongehuwde. Na een controle en huisbezoek in 2002 concludeerde de Sociale verzekeringsbank dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met een andere vrouw, waardoor haar pensioen per 1 augustus 1996 herzien werd naar de gehuwdennorm. Na bezwaar werd de herziening teruggebracht tot 1 december 1999.
Appellante voerde aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde met de tweede vrouw en dat zij op grond van overgangsrecht haar ongehuwdenpensioen moest behouden. De Raad oordeelde dat appellante en de tweede vrouw aan de objectieve criteria van gezamenlijke huishouding voldeden, zoals gezamenlijk hoofdverblijf, wederzijdse zorg en financiële verstrengeling.
De Raad stelde vast dat appellante vanaf 1 augustus 1996 ten onrechte een ongehuwdenpensioen ontving en dat herziening terecht was. Dringende redenen om van herziening af te zien waren niet aanwezig. Het beroep van appellante werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van de AOW-uitkering bevestigd met terugwerkende kracht vanaf 1 december 1999.