ECLI:NL:CRVB:2005:AU5883
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot schriftelijke waarschuwing bij niet-naleving inlichtingenverplichting bij bijstandsuitkering
Appellant ontving een bijstandsuitkering en werd verzocht bewijsstukken, waaronder bankafschriften en een huursubsidiebesluit, te overleggen. Hoewel hij het formulier tijdig terugzond, ontbraken deze documenten. Het College schortte de bijstand op en gaf appellant de mogelijkheid het verzuim te herstellen, wat hij binnen de termijn deed.
Desondanks gaf het College een schriftelijke waarschuwing in plaats van een maatregel op te leggen. Appellant maakte bezwaar, maar de rechtbank verklaarde dit ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het College bevoegd was tot het geven van een waarschuwing op grond van artikel 14, derde lid, van de Algemene bijstandswet.
De Raad oordeelde dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld door niet tijdig alle gevraagde stukken te overleggen en dat het College redelijk gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de schriftelijke waarschuwing door het College wordt bevestigd.