ECLI:NL:CRVB:2005:AU5240
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Staatssecretaris bij ontslag ambtenaar en beoordeling financiële regeling
Appellant, een ambtenaar bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, werd na het uitblijven van een aanstelling bij een politiekorps en vruchteloze arbeidsbemiddeling ontslagen op grond van artikel 95 van Pro het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).
De Staatssecretaris verklaarde het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De kern van het geschil betrof de vraag of de Staatssecretaris bevoegd was het ontslagbesluit te nemen en of de financiële regeling passend was.
De Raad oordeelde dat de Staatssecretaris bevoegd was op grond van een delegatiebesluit en dat het dienstverband van appellant onder het Barp viel. Daarnaast werd geoordeeld dat de financiële regeling, bestaande uit een uitkering op basis van WW en Bbpw, een bruto vergoeding en kostenvergoeding voor rechtsbijstand, adequaat was gegeven de omstandigheden en de rol van de Staatssecretaris in het ontstaan van de impasse.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslagbesluit van de Staatssecretaris bevestigd.