ECLI:NL:CRVB:2005:AU5174
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vaststelling eerste werkloosheidsdag bij vakantie tijdens arbeidsurenverlies
In deze zaak staat de vaststelling van de eerste werkloosheidsdag centraal bij een werknemer die op 1 augustus 2003 arbeidsuren verloor terwijl zij met vakantie was tot en met 24 augustus 2003. De appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, had de eerste werkloosheidsdag vastgesteld op 25 augustus 2003, de dag na afloop van de vakantie. De rechtbank Maastricht vernietigde dit besluit en stelde de eerste werkloosheidsdag op 1 augustus 2003, waarbij het vertrouwensbeginsel een rol speelde omdat de werknemer erop mocht vertrouwen dat haar vakantie geen gevolgen had voor haar WW-uitkering.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onjuiste informatie van CWI-medewerkers niet bindend is en dat de regels duidelijk zijn: de eerste werkloosheidsdag volgt na de vakantie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de vaststelling van de eerste werkloosheidsdag op 1 augustus 2003 juist is, mede gelet op de ministeriële vakantieregeling en het feit dat de werknemer aan haar meldingsverplichtingen had voldaan.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en vernietigde het bestreden besluit, waarbij appellant werd opgedragen een nieuw besluit te nemen in lijn met de uitspraak. Tevens werd appellant veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de werknemer.
Uitkomst: De eerste werkloosheidsdag wordt vastgesteld op 1 augustus 2003, de dag van het arbeidsurenverlies, ondanks de vakantieperiode.