ECLI:NL:CRVB:2006:AV6417
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit WW en proceskostenvergoeding wegens onjuiste vaststelling eerste werkloosheidsdag
Appellant stelde beroep in tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin werd vastgesteld dat hij geen recht had op een WW-uitkering omdat hij onvoldoende weken had gewerkt voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Tijdens het hoger beroep gaf het UWV aan het bestreden besluit niet langer te handhaven en een nieuw besluit te zullen nemen, omdat was gebleken dat de eerste werkloosheidsdag ten onrechte was vastgesteld op 8 september 2003 in plaats van 7 april 2003.
De Raad besloot het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak te vernietigen en het UWV op te dragen een nieuw besluit te nemen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de late aanvraag van de WW-uitkering en het verblijf van appellant in Suriname. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, bestaande uit kosten van rechtsbijstand en reiskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van een juiste vaststelling van de eerste werkloosheidsdag voor de beoordeling van de wekeneis onder de Werkloosheidswet. Door het UWV te veroordelen in de proceskosten wordt tegemoetgekomen aan de financiële gevolgen voor appellant van het onjuiste besluit.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.