ECLI:NL:CRVB:2005:AU3969
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na beëindiging arbeidsovereenkomst met ongeldig proeftijdbeding
Appellant trad op 19 november 2002 in dienst als fysiotherapeut op basis van een jaarcontract met een proeftijd van twee maanden, die niet rechtsgeldig was volgens het Burgerlijk Wetboek. Op 31 december 2002 werd het dienstverband beëindigd in onderling overleg, waarbij appellant instemde vanwege rugklachten en een mondelinge toezegging om na herstel terug te keren. De werkgever weigerde vervolgens de WW-uitkering toe te kennen wegens verwijtbare werkloosheid, omdat appellant onnodig had ingestemd met de beëindiging terwijl hij zich ook ziek had kunnen melden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij aannam dat de werkgever gerechtigd was hem tijdens de proeftijd te ontslaan en dat de toezeggingen tot terugkeer hem niet zwaar konden worden aangerekend.
De Raad overwoog dat het proeftijdbeding niet rechtsgeldig was en appellant zich hierop had kunnen beroepen. Door vrijwillig in te stemmen met de beëindiging, terwijl hij zich ook ziek had kunnen melden, had appellant zijn werkloosheid zelf veroorzaakt. De mondelinge toezeggingen waren onvoldoende zeker om het verwijt weg te nemen. Daarom was de werkloosheid in overwegende mate verwijtbaar en werd het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door instemming met beëindiging van het dienstverband ondanks ongeldig proeftijdbeding.