ECLI:NL:CRVB:2005:AU1430
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1970 een bijstandsuitkering, eerst op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) en later de Algemene bijstandswet (Abw). Na een onderzoek door de sociale recherche naar vermeende gezamenlijke huishouding met [D.], besloot de gemeente Delft de bijstand met ingang van 1 november 1999 te beëindigen en de over de periode van 1 januari 1988 tot en met 31 oktober 1999 betaalde bijstand terug te vorderen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante en [D.] een gezamenlijke huishouding voerden, ondanks dat zij op verschillende adressen stonden ingeschreven. Dit blijkt uit verklaringen van [D.] en de dochter van appellante, buurtonderzoek, observaties en huisbezoeken. Er was sprake van wederzijdse verzorging en financiële verstrengeling die verder ging dan het delen van woonlasten.
Appellante had de gezamenlijke huishouding niet gemeld, waardoor zij haar inlichtingenverplichting schond. De Raad wijst het verzoek tot aanhouding van de zaak voor getuigenverhoor af en bevestigt het besluit van de gemeente tot intrekking en terugvordering van de bijstand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van de bijstand wordt bevestigd.