ECLI:NL:CRVB:2005:AU0718
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met ex-partner
Appellante ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder na vertrek van haar echtgenoot. Na een anonieme tip over een gezamenlijke reis met haar ex-partner naar Suriname startte de gemeente een onderzoek dat concludeerde dat zij een gezamenlijke huishouding voerden. Op grond hiervan werd de bijstandsuitkering ingetrokken en een aanvraag voor bijzondere bijstand afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank onterecht ook de bijzondere bijstand beoordeelde terwijl appellante dit beroep had ingetrokken. De Raad vernietigde daarom de uitspraak.
De Raad oordeelde dat over de periode van 6 augustus 2000 tot 28 november 2000 onterecht werd aangenomen dat appellante niet duurzaam gescheiden leefde, waardoor het besluit tot intrekking van de bijstand over die periode op een onjuiste wettelijke grondslag berust. Over de periode daarna tot 22 januari 2001 was de intrekking terecht omdat sprake was van gezamenlijke huishouding.
Verder concludeerde de Raad dat appellante niet had voldaan aan haar inlichtingenplicht en dat de aanvraag van 25 januari 2001 terecht was afgewezen wegens het ontbreken van gewijzigde omstandigheden. De gemeente werd veroordeeld in de proceskosten en moest het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd voor de periode 6 augustus 2000 tot 28 november 2000 en bevestigd voor de periode daarna.