ECLI:NL:CRVB:2005:AT9770
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit afwijzing bijstand wegens onvoldoende onderzoek hoofdverblijf
Appellant, voormalig zelfstandig caféhouder, vroeg bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf 29 oktober 2001. Het College van B&W wees de aanvraag af omdat appellant zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres niet aannemelijk had gemaakt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd aangenomen dat geen nieuwe feiten waren aangevoerd.
In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek naar zijn hoofdverblijf niet onbevooroordeeld was verricht en dat zijn verblijf bij derden wel aannemelijk was gemaakt. De Raad stelde vast dat de aanvraag van 13 november 2002 niet kon worden gezien als een verzoek om terug te komen van een onherroepelijk besluit en dat de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter gezag van gewijsde had voor de periode tot begin augustus 2002.
Voor de periode vanaf 13 november 2002 oordeelde de Raad dat het College onvoldoende onderzoek had gedaan naar het hoofdverblijf van appellant, mede gelet op zijn situatie na faillissement en verblijf bij derden. Het besluit was daarom niet deugdelijk gemotiveerd en werd vernietigd. Het College werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het College veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van bijstand vanaf 13 november 2002 wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.