ECLI:NL:CRVB:2005:AT9119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant heeft een aanvraag om bijstandsuitkering ingediend, welke door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wieringermeer werd afgewezen op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding met betrokkene. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad stelde vast dat appellant en betrokkene hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en zorg droegen voor elkaar, onder meer door gezamenlijke kosten en hulp bij huishoudelijke taken. Ook de gezamenlijke zorg voor pleegkinderen werd meegewogen. De enkele stelling van appellant dat sprake was van een kostgangersrelatie werd verworpen.
De Raad oordeelde dat appellant en betrokkene als gehuwden moeten worden aangemerkt voor de toepassing van de Algemene bijstandswet, waardoor appellant geen zelfstandig recht op bijstand heeft. Verder werd geoordeeld dat motieven voor het huren van een kamer niet relevant zijn en dat eerdere oordelen van andere gemeenten niet bindend zijn voor deze beoordeling. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag van appellant om bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met betrokkene.