ECLI:NL:CRVB:2005:AT8456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding en terugvordering te veel betaalde AOW
Appellant ontving sinds mei 1994 een AOW-pensioen berekend naar de norm voor ongehuwden. Naar aanleiding van een aanvraag van zijn partner voor een ouderdomspensioen is vastgesteld dat zij een gezamenlijke huishouding voeren. Gedaagde heeft daarop het pensioen van appellant herzien naar de gehuwdennorm met ingang van 1 mei 1994 en een terugvordering ingesteld wegens te veel betaalde AOW.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat de terugvordering verjaard zou zijn. De Raad oordeelde dat het zorgcriterium voor gezamenlijke huishouding was vervuld, gelet op gezamenlijke maaltijden, huishoudelijke werkzaamheden en het gebruik van voorzieningen zonder zakelijke kostgangersrelatie. Het vertrouwen van appellant op de gemeentelijke beoordeling en het niet instellen van strafvervolging door het Openbaar Ministerie waren niet doorslaggevend.
De Raad stelde vast dat appellant vanaf 1 mei 1994 geen recht had op het ongehuwdenpensioen en dat gedaagde op grond van de AOW de herziening moest doorvoeren. De terugvordering vanaf 1 augustus 1996 is niet verjaard omdat de wettelijke vervaltermijn was komen te vervallen. Dringende redenen om af te zien van terugvordering waren niet aannemelijk.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Middelburg en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening van het AOW-pensioen met terugvordering wordt bevestigd.