ECLI:NL:CRVB:2005:AT8019
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf van Turkse vreemdeling
Appellant, van Turkse nationaliteit, ontving sinds 1994 een bijstandsuitkering. Deze werd per 1 mei 2002 beëindigd omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef. Het bezwaar tegen deze beëindiging werd ongegrond verklaard door het College van burgemeester en wethouders van Schiedam.
Appellant voerde hoger beroep aan tegen deze beslissing. De Raad stelde vast dat appellant op 1 mei 2002 geen rechtmatig verblijf had conform de Vreemdelingenwet 2000 en ook niet voldeed aan de voorwaarden van het Associatiebesluit EEG-Turkije. Hierdoor kon appellant niet gelijkgesteld worden aan een Nederlander voor het recht op bijstand.
Daarnaast was het beroep op voortgezette toelating niet succesvol, waardoor ook op grond van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen geen recht op bijstand bestond. De Raad concludeerde dat de beëindiging van de bijstandsuitkering terecht was en wees het hoger beroep af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van appellant is terecht beëindigd wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf op 1 mei 2002.