ECLI:NL:CRVB:2005:AT7304
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting en gezamenlijke huishouding
Appellante en haar echtgenoot ontvingen bijstand volgens de gehuwdennorm. Na een melding dat de echtgenoot niet langer op hetzelfde adres woonde, voerde de Sociale Dienst onderzoek uit. Tijdens een huisbezoek werden persoonlijke bezittingen van de echtgenoot in de woning aangetroffen, evenals post en looninformatie die duidden op gezamenlijke huishouding.
De uitkering werd ingetrokken vanaf 10 december 2001 omdat de echtgenoot inkomsten genoot die de bijstandsnorm overschreden, en terugvordering werd ingesteld. Appellante stelde in hoger beroep dat zij als ongehuwd moest worden beschouwd vanwege het vertrek van haar echtgenoot en het voornemen tot echtscheiding.
De Raad oordeelde dat duurzaam gescheiden leven niet was aangetoond omdat de feitelijke omstandigheden, zoals het aantreffen van bezittingen en administratieve documenten, wezen op voortzetting van gezamenlijke huishouding. Wel werd geoordeeld dat het inkomen van de echtgenoot niet over de gehele periode gelijk was aan de bijstandsnorm, waardoor de terugvordering vernietigd werd. De intrekking van de uitkering bleef echter in stand vanwege vermoedelijk hogere inkomsten en schending van de inlichtingenplicht. De gemeente werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Besluit tot terugvordering vernietigd, intrekking bijstandsuitkering gehandhaafd, proceskosten aan appellante toegekend.