ECLI:NL:CRVB:2005:AT7295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen gezamenlijke huishouding voor AOW-herziening en terugvordering
De zaak betreft een geschil over de herziening van het recht op AOW-uitkering vanwege vermeende gezamenlijke huishouding tussen gedaagde en diens partner. De Sociale verzekeringsbank had het ouderdomspensioen van gedaagde aangepast naar de norm voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert, met terugvordering van te veel betaalde bedragen.
De rechtbank had het bezwaar van gedaagde gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat geen sprake was van wederzijdse zorg, ondanks het feit dat zij hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. De Raad voor de Rechtspraak bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Raad benadrukt dat het criterium van gezamenlijke huishouding objectief wordt beoordeeld, waarbij niet wordt gekeken naar motieven of aard van de relatie, maar naar feitelijke omstandigheden zoals financiële verstrengeling en wederzijdse verzorging.
Uit de feiten blijkt dat gedaagde en partner weliswaar in hetzelfde pand wonen, maar dat dit pand is verbouwd tot twee wooneenheden met eigen voorzieningen. Er is geen sprake van een mate van financiële verstrengeling die verder gaat dan het delen van vaste woonlasten. Ook ontbreekt het aan bewijs van wederzijdse verzorging zoals koken, wassen of andere huishoudelijke taken. De enkele aanwezigheid van een gezamenlijke ruimte voor visite doet hieraan niet af.
De Raad wijst het hoger beroep van appellant af en bevestigt de vernietiging van het besluit. Tevens veroordeelt de Raad appellant in de proceskosten van gedaagde en wijst erop dat nadere besluitvorming over rentevergoeding noodzakelijk is. De uitspraak is gedaan door drie rechters en uitgesproken op 7 juni 2005.
Uitkomst: Hoger beroep van Sociale verzekeringsbank wordt afgewezen; geen gezamenlijke huishouding vastgesteld en proceskosten aan appellant opgelegd.