ECLI:NL:CRVB:2005:AT6725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering IOAZ-uitkering wegens onjuiste vermogenswaardering melkquotum
Appellant beëindigde zijn melkveehouderij en droeg zijn aandeel over aan zijn zoon. Het bestuursorgaan kende hem een IOAZ-uitkering toe, maar trok deze later in en vorderde uitkeringen terug op grond van een te hoog vastgesteld inkomen uit vermogen. De waardering van het melkquotum was gebaseerd op de vrije verkoopwaarde, terwijl volgens de Raad de boekwaarde gehanteerd moet worden. Tevens werd de lijfrenteverplichting van de zoon ten onrechte bij het vermogen van appellant gerekend.
De rechtbank stelde het inkomen uit vermogen lager vast, maar oordeelde ook dat appellant niet voldeed aan de inkomensvoorwaarde voor de uitkering, hetgeen buiten de reikwijdte van het geding viel. De Raad vernietigt deze uitspraak wegens strijd met de Awb en oordeelt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit moet nemen met correcte waardering van het vermogen, waarbij het aangekochte melkquotum slechts gedeeltelijk aan appellant toegerekend mag worden.
De Raad veroordeelt het bestuursorgaan tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant. De zaak benadrukt de noodzaak van een juiste vermogenswaardering en volledige heroverweging binnen de bezwaarprocedure.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van de IOAZ-uitkering wordt vernietigd en het bestuursorgaan wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.