ECLI:NL:CRVB:2005:AT6424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening recht op bijstand en oplegging boete wegens verzwegen inkomsten uit arbeid
Appellant ontving vanaf 1996 bijstand en verzweeg inkomsten uit werkzaamheden als artiest. De gemeente Amsterdam herzag de bijstand over de periode juli 1997 tot december 2000 en vorderde € 5.195,21 terug, daarnaast werd een boete van € 561 opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep.
De Raad stelde vast dat appellant geen melding had gemaakt van zijn inkomsten en dat deze volledig aan hem toegerekend mochten worden, omdat hij geen verifieerbare gegevens overlegd had die de verdeling van inkomsten met andere muzikanten konden onderbouwen. De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden en dat terugvordering en boete terecht waren opgelegd.
De Raad vernietigde echter het besluit over de boete wegens een onjuiste berekening volgens het Boetebesluit sociale zekerheidswetten. De boete werd verlaagd naar € 522. Tevens werd het betaalde griffierecht van € 116 aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de boete wordt verlaagd naar € 522 en het betaalde griffierecht wordt aan appellant vergoed.