ECLI:NL:CRVB:2005:AT5528
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Toepassing Wet Flexibiliteit en zekerheid op opzegtermijn bij faillissement werkgever
Werknemer, die op 1 januari 1999 ouder was dan 45 jaar, verzocht het Uwv om de achterstallige betalingsverplichtingen van zijn failliet verklaarde werkgever over te nemen volgens Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv weigerde het loon over de opzegtermijn die langer was dan zes weken over te nemen, verwijzend naar artikel 64, aanhef en onder b, van de WW en artikel 40 van Pro de Faillissementswet (Fw).
De Centrale Raad van Beroep moest beoordelen of artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid, dat een overgangsregeling biedt voor oudere werknemers met een langere opzegtermijn, ook van toepassing is op de opzegtermijn die de curator in acht moet nemen bij faillissement. De Raad bevestigde dat deze overgangsregeling ook geldt bij toepassing van artikel 40 Fw Pro en daarmee ook relevant is voor de uitleg van artikel 64 WW Pro.
De Raad verwierp het standpunt van het Uwv dat de betalingsverplichting beperkt zou zijn tot de zes weken genoemd in artikel 40 Fw Pro, omdat artikel XXI een extra bescherming biedt aan werknemers van 45 jaar en ouder. Het niet toepassen van artikel XXI zou nadelig zijn voor de werknemer, omdat dit kan leiden tot een kortere opzegtermijn en daarmee minder loon en een kortere uitkeringsduur.
De Raad concludeerde dat het Uwv ten onrechte de betalingsverplichting had gemaximeerd op zes weken en bevestigde het vonnis van de rechtbank dat het besluit van het Uwv vernietigde. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv tot betaling van de proceskosten aan werknemer.
Uitkomst: Het Uwv moet de betalingsverplichting van de werkgever over de langere opzegtermijn van de werknemer overnemen en niet beperken tot zes weken.