ECLI:NL:CRVB:2005:AT3120
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding na echtscheiding
Appellanten, gescheiden sinds 1977, ontvingen beiden een bijstandsuitkering als alleenstaande. De gemeente Utrecht vermoedde dat zij samenwoonden en startte een onderzoek, waarbij dossieronderzoek, observaties en getuigenverklaringen werden verzameld. De bevindingen wezen uit dat appellanten vanaf 19 juni 1996 een gezamenlijke huishouding voerden.
De bijstand werd daarom ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 19 juni 1996 tot 30 juni 2001. Appellanten voerden aan dat zij geen gezamenlijke huishouding hadden en dat hun verklaringen onder druk waren afgelegd, maar dit werd door de Raad verworpen. De rechtbank had eerder het bezwaar tegen de terugvordering gegrond verklaard, maar de Raad stelt vast dat de rechtbank ten onrechte bepaalde wettelijke bepalingen niet correct toepaste.
De Raad oordeelt dat appellanten de inlichtingenverplichting schonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding, waardoor zij ten onrechte bijstand ontvingen. De terugvordering is daarom terecht. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten en veroordeelt appellanten niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten vanaf 19 juni 1996 een gezamenlijke huishouding voerden en dat de terugvordering van bijstand terecht is.