ECLI:NL:CRVB:2005:AT0379
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens ontbreken gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1986 een bijstandsuitkering die vanaf 1996 werd berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Gedaagde stelde op basis van onderzoek vast dat appellante vanaf 1 januari 1996 een gezamenlijke huishouding zou voeren met een partner, wat leidde tot beëindiging van de uitkering en terugvordering van kosten.
De Raad beoordeelde of er sprake was van een gezamenlijke huishouding conform de wettelijke criteria, waaronder gezamenlijke huisvesting en wederzijdse verzorging. Uit de stukken bleek onvoldoende bewijs van financiële verstrengeling of verzorging tussen appellante en de partner. Ook de verklaring van appellante over zorg voor kinderen van de partner was onvoldoende.
Daarom oordeelde de Raad dat de besluiten tot intrekking van de uitkering, terugvordering van bijstandskosten en oplegging van een boete niet op een deugdelijke grondslag berusten. De besluiten werden vernietigd, het beroep gegrond verklaard en gedaagde veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.