ECLI:NL:CRVB:2005:AT0371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering restant renteloze geldlening bijstand zelfstandigen
Appellanten ontvingen in 1995 een renteloze geldlening ter voorziening in noodzakelijke kosten van het bestaan, toegekend op grond van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen. Gedaagde stelde in 2001 vast dat een deel van deze lening, na omzetting van een deel in een bedrag om niet, moest worden terugbetaald.
Appellanten voerden aan dat de vordering op grond van artikel 3:307 lid 1 BW Pro was verjaard en dat de lange duur van de procedure in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel en de redelijke termijn uit artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat artikel 3:307 lid 2 BW Pro van toepassing was, waardoor de verjaringstermijn pas begon na mededeling tot opeising in 2001.
De Raad onderschreef dit oordeel en stelde vast dat appellanten pas medio 2000 de benodigde jaarstukken hadden verstrekt, waardoor de procedure niet onredelijk lang was. Ook vond de Raad geen schending van de redelijke termijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de restant lening bevestigd.