ECLI:NL:CRVB:2004:AR8099
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand op grond van niet-gemelde inkomsten
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht die het besluit van het College van burgemeester en wethouders van Baarn bevestigde betreffende de herziening en terugvordering van bijstand.
De zaak betreft de periode van 1 januari 1990 tot 1 augustus 1997, waarbij gedaagde een fictief inkomen had vastgesteld voor handel in boten en onderhoudswerkzaamheden. De rechtbank had eerder het besluit van 12 mei 1999 vernietigd voor het fictief inkomen uit botenhandel, maar niet voor onderhoudswerkzaamheden.
Bij besluit van 26 april 2001 werd het bezwaar van appellant deels ongegrond verklaard en werd het recht op bijstand herzien met inachtneming van inkomsten uit onderhoudswerkzaamheden. De Centrale Raad stelt vast dat de eerdere uitspraken kracht van gewijsde hebben en dat de terugvordering van f 85.132,28 over de periode 9 oktober 1992 tot 1 augustus 1997 terecht is.
Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van het recht op bijstand en de terugvordering van f 85.132,28 over de periode 1992-1997.