ECLI:NL:CRVB:2004:AR7503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding bij recht op bijstandsuitkering
Appellante en haar partner ontvingen van april 1999 tot februari 2000 bijstand naar de norm voor gehuwden. Appellante stelde in hoger beroep dat er geen sprake was van samenwoning op 29 maart 2001, hetgeen bepalend is voor de hoogte van de bijstandsuitkering.
De Raad baseerde zich op een huisbezoek van de sociale recherche waarbij de partner slapend in het tweepersoonsbed werd aangetroffen, maar stelde vast dat dit niet voldoende bewijs is dat hij het merendeel van de tijd bij appellante verbleef. Verklaringen over het verblijf van de partner op een ander adres waren tegenstrijdig en onvoldoende overtuigend.
De Raad oordeelde dat appellante en haar partner niet hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden op de peildatum, waardoor het besluit van 4 september 2001 dat de aanvraag afwees en voorschotten terugvorderde, vernietigd moest worden. Tevens werden de proceskosten aan appellante toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 4 september 2001 wordt vernietigd.