Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR7381

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2657 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 AbwArt. 39 lid 1 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor tandartskosten na behandeling

Appellant diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van een tandheelkundige behandeling nadat deze al had plaatsgevonden. Het College van burgemeester en wethouders van Zoetermeer wees de aanvraag af omdat de aanvraag niet voorafgaand aan de behandeling was ingediend, waardoor de noodzaak niet meer kon worden vastgesteld.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 67 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw) bijstand op schriftelijke aanvraag wordt verleend en dat in beginsel geen bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

In deze zaak was niet gebleken dat appellant voorafgaand aan de behandeling een aanvraag had ingediend of bijzondere omstandigheden aanwezig waren die een uitzondering konden rechtvaardigen. Bovendien had appellant in het verleden wel steeds voorafgaand aan behandelingen bijzondere bijstand aangevraagd. Daarom bevestigde de Raad het oordeel van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor tandartskosten na behandeling wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wordt geweigerd.

Uitspraak

03/2657 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
's-Gravenhage van 10 april 2003, reg.nr. 02/2673 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft vervolgens nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 9 november 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandig-heden.
Op 28 januari 2002 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor een tandheelkundige behandeling, te weten het plaatsen van een kroon.
Bij besluit van 15 februari 2002 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant de aanvraag om bijzondere bijstand niet voorafgaand aan de behandeling heeft ingediend zodat de noodzaak van de kosten niet meer kan worden vastgesteld. Er worden geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht, die afwijking van het uitgangspunt dat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verstrekt, rechtvaardigen.
Bij besluit van 6 juni 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 juni 2002 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gelet op het in artikel 67 van Pro de Abw neergelegde primaire uitgangspunt dat bijstand op schriftelijke aanvraag wordt verleend en in aanmerking nemend de noodzaak van een beoordeling van de individuele situatie op grond van artikel 39, eerste lid, van de Abw, dient naar het oordeel van de Raad als uitgangspunt te gelden dat in beginsel geen bijstand wordt toegekend met terugwerkende kracht. Van dat uitgangspunt kan slechts worden afgeweken, indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
Uit de gedingstukken is de Raad niet gebleken dat appellant zich voorafgaand aan de behandeling door de tandarts tot gedaagde heeft gewend met het doel een aanvraag in te dienen om bijzondere bijstand voor de tandartskosten. Blijkens de door appellant bij zijn aanvraag overgelegde nota en informatie van de tandarts heeft er op 5 december 2001 een behandeling plaatsgevonden. Pas op 28 januari 2002 heeft appellant zich tot gedaagde gewend om een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van deze behandeling in te dienen.
Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag ingediend moet worden voorafgaand aan de behandeling en dat de noodzaak van de behandeling na afloop niet meer kan worden vastgesteld. Met gedaagde is de Raad van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan afwijking van het uitgangspunt dat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend, te rechtvaardigen is. In dit verband acht de Raad mede van belang dat appellant in het verleden reeds meerdere malen bijzondere bijstand voor tandartskosten heeft ontvangen en in die gevallen steeds voorafgaand aan de behandeling een aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend. Niet gebleken is dat appellant niet in staat is geweest zich voorafgaand aan de behandeling tot gedaagde te wenden.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aan-merking komt. Gelet hierop is voor een veroordeling van gedaagde tot vergoeding van schade geen plaats.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
GdJ
2311