ECLI:NL:CRVB:2004:AR7234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering en terugvordering wegens schending inlichtingenplicht en onterecht zelfstandigenstatus
Appellant ontving vanaf december 1996 een bijstandsuitkering en kreeg in 1998 toestemming om op beperkte schaal als zelfstandig autohandelaar te starten. In 1999 bleek dat appellant inkomsten uit arbeid had ontvangen zonder dit te melden, wat leidde tot intrekking van de bijstand vanaf juli 1999 wegens schending van de inlichtingenplicht. Daarnaast werd de bijstand over 1998 herzien en een bedrag teruggevorderd.
De rechtbank had het bezwaar tegen de herziening in 2000 ongegrond verklaard, maar het beroep tegen het besluit van 10 oktober 2000 gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De rechtbank oordeelde dat appellant niet aan het urencriterium voor zelfstandigen voldeed en dat de inkomsten uit zijn onderneming als netto inkomen in aanmerking genomen moesten worden, met correctie voor inkomstenbelasting.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet over het volledige bedrag kon beschikken en dat het negatieve bedrijfsresultaat over 1999 niet was meegenomen. De Raad oordeelde dat appellant niet als zelfstandige kon worden aangemerkt omdat hij niet voldeed aan het urencriterium en dat hij redelijkerwijs over de winst uit zijn onderneming kon beschikken. De wijze van vaststelling van de bijstand over de periode april tot en met december 1998 was redelijk. Omdat appellant de inkomsten niet tijdig had gemeld, was herziening en terugvordering terecht. De brutering van de terugvordering was conform de wet. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand zijn terecht.