Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR6196

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4149 NABW + 02/4150 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 7:11 AwbAlgemene bijstandswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor proceskostenveroordeling

Appellanten vroegen bijzondere bijstand aan voor vergoeding van schulden ontstaan door een veroordeling tot proceskosten. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees deze aanvraag af omdat de kosten niet noodzakelijk waren. Na een eerdere afwijzing dienden appellanten een nieuwe aanvraag in, die eveneens werd afgewezen op grond van het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, conform artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de bezwaarprocedure een volledige heroverweging mogelijk maakt en dat het bestuursorgaan de afwijzing mag handhaven op basis van artikel 4:6 Awb Pro wanneer geen nieuwe feiten zijn aangevoerd.

Appellanten stelden dat een verhoging van het maandelijkse aflossingsbedrag door een deurwaarder een nieuw feit zou zijn, maar de Raad oordeelde dat dit feit niet afdoet aan het eerdere besluit. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd geen reden gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

02/4149 NABW
02/4150 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 juni 2002, reg.nr. 01/1252.
Gedaagde heeft bij wijze van verweer verwezen naar de voorhanden zijnde stukken en heeft desgevraagd een nader stuk ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 2 november 2004, waar appellanten en hun gemachtigde niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 21 februari 2000 heeft gedaagde afwijzend beslist op een aanvraag van appellanten om bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet voor vergoeding van schulden ontstaan door een veroordeling tot vergoeding van proceskosten, op de grond dat deze kosten niet noodzakelijk zijn. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Op 17 oktober 2000 hebben appellanten een nieuwe aanvraag van dezelfde strekking ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde bij besluit van 14 februari 2001 de aanvraag op inhoudelijke gronden afgewezen.
Bij besluit van 18 mei 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2001 ongegrond verklaard en met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 mei 2001 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
Appellanten stellen zich op het standpunt dat het gedaagde, nadat hij de aanvraag bij het primaire besluit van 14 februari 2001 op inhoudelijke gronden had afgewezen, niet meer vrijstond om bij besluit op bezwaar van 18 mei 2001 de afwijzing te handhaven met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Met betrekking tot deze grief over-weegt de Raad dat hij reeds vaker tot uitdrukking heeft gebracht dat artikel 7:11 van Pro de Awb niet in de weg staat aan de handhaving in bezwaar van de afwijzing van een aan-vraag op een andere grond dan die waarop het primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging (zie onder meer de uitspraak van 7 juli 1998, gepubliceerd in USZ 1998/217).
Appellanten hebben voorts aangevoerd dat zij ten tijde van de eerste aanvraag om bijzondere bijstand een bedrag van f 75,- per maand aflosten op de schuld ter zake waarvan bijzondere bijstand werd gevraagd en dat de deurwaarder bij brief van 5 april 2001 het maandelijkse aflossingsbedrag heeft verhoogd tot f 250,-- per maand. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit enkele feit niet kan worden opgevat als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, omdat op voorhand uitgesloten is dat dit feit kan afdoen aan het besluit van 21 februari 2000 en de grond waarop dat berust.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot zijn besluit van 18 mei 2001 heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellanten terecht ongegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en het door appellanten gedane verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden afgewezen.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van der Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 november 2004.
(Get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.J. van der Veen.
GdJ
911