ECLI:NL:CRVB:2004:AR6196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor proceskostenveroordeling
Appellanten vroegen bijzondere bijstand aan voor vergoeding van schulden ontstaan door een veroordeling tot proceskosten. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees deze aanvraag af omdat de kosten niet noodzakelijk waren. Na een eerdere afwijzing dienden appellanten een nieuwe aanvraag in, die eveneens werd afgewezen op grond van het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, conform artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de bezwaarprocedure een volledige heroverweging mogelijk maakt en dat het bestuursorgaan de afwijzing mag handhaven op basis van artikel 4:6 Awb Pro wanneer geen nieuwe feiten zijn aangevoerd.
Appellanten stelden dat een verhoging van het maandelijkse aflossingsbedrag door een deurwaarder een nieuw feit zou zijn, maar de Raad oordeelde dat dit feit niet afdoet aan het eerdere besluit. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd geen reden gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.