ECLI:NL:CRVB:2004:AR6149
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van eenmalige pensioenuitkering als inkomen in het kader van de Algemene bijstandswet
Appellante was gehuwd geweest met haar ex-partner, met wie zij in gemeenschap van goederen was getrouwd. Na echtscheiding werd een minnelijke regeling getroffen over de pensioenrechten die de ex-partner had opgebouwd. Appellante ontving vanaf 1997 een deel van het pensioen van haar ex-partner, gebonden aan het leven van beiden, conform het Boon/Van Loon-arrest van de Hoge Raad.
In 1999 ontving appellante een nabetaling van f 2.145,73 van haar ex-partner, over de periode 21 december 1997 tot en met 31 mei 1999. De gemeente Heerenveen vorderde dit bedrag terug als kosten van bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze terugvordering ongegrond, stellende dat het bedrag als inkomen moest worden aangemerkt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat de nabetaling juridisch gezien voortvloeit uit de pensioenrechten van de ex-partner en daarom als inkomen in verband met arbeid moet worden beschouwd. Het beroep op een vrijstelling van terugvordering op grond van artikel 43 Abw Pro faalt, omdat dit artikel alleen betrekking heeft op inkomsten uit arbeid, wat hier niet aan de orde is.
De Raad concludeert dat de terugvordering terecht is en dat er geen reden is voor schadevergoeding of kwijtschelding van de terugvordering. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de nabetaling als inkomen wordt aangemerkt en de terugvordering van bijstand terecht is.