ECLI:NL:CRVB:2004:AR4740
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep over terugvordering bijstandsuitkering en aflossingsbedrag
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake de terugvordering van bijstand die aan zijn ex-echtgenote was verstrekt. De gemeente had vastgesteld dat appellant en zijn ex-echtgenote een gezamenlijke huishouding voerden terwijl appellant inkomsten ontving zonder melding bij de sociale dienst. Hierdoor werd een bedrag van 58.722,73 gulden teruggevorderd.
De Raad bevestigt dat het terugvorderingsbesluit van 23 oktober 1998 in rechte is komen vast te staan en dat het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk is omdat appellant geen bezwaar had gemaakt zoals vereist door artikel 7:1 van Pro de Awb. Wel oordeelt de Raad dat het uitblijven van een formele beslissing op het verzoek tot herziening van het besluit onterecht is en dringt aan op een beslissing binnen enkele weken.
Verder bevestigt de Raad het aflossingsbedrag van 600 gulden per maand, waarbij geen rekening wordt gehouden met de door appellant gestelde onderhoudsbijdrage aan zijn ouders. De Raad wijst erop dat de vordering van de gemeente een bevoegde vordering betreft en dat het aflossingsbedrag passend is in het licht van de beslagvrije voet. Tot slot veroordeelt de Raad de gemeente Amsterdam in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugvorderingsbesluit is niet-ontvankelijk verklaard en het aflossingsbedrag van 600 gulden per maand bevestigd.