ECLI:NL:CRVB:2004:AR3949
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering bijstandsuitkering en wettelijke grondslag
Appellant heeft bijstand ontvangen in de vorm van voorschotten over de periode van 4 januari 1999 tot en met 29 februari 2000. De gemeente Heerlen besloot de bijstand vanaf 1 december 1999 te beëindigen en vorderde de te veel betaalde voorschotten terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep.
De Raad maakte onderscheid tussen de periode tot 1 december 1999, waarvoor een toekenningsbesluit bestond en terugvordering op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw terecht was, en de periode vanaf 1 december 1999, waarvoor geen toekenningsbesluit bestond en terugvordering op grond van artikel 81, tweede lid, van de Abw moest plaatsvinden. Het besluit tot beëindiging van de bijstand per 1 december 1999 kon niet worden aangemerkt als een intrekkingsbesluit.
De Raad vernietigde het besluit voor de terugvordering over de periode vanaf 1 december 1999 wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar handhaafde het besluit voor de eerdere periode. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het verzoek om schadevergoeding wegens te late uitbetaling werd afgewezen. De gemeente werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De terugvordering over de periode tot 1 december 1999 wordt gehandhaafd, de terugvordering daarna vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag.