ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2695
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit beëindiging vrijstelling arbeidsinschakelingsverplichtingen IOAZ
Appellanten ontvingen een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Aanvankelijk was appellante vrijgesteld van arbeidsinschakelingsverplichtingen, maar bij besluiten in 2000 en 2001 werd deze vrijstelling beëindigd. Appellanten stelden bezwaar en beroep in tegen deze besluiten.
De Raad beoordeelde dat de IOAZ vanaf 1 januari 1997 van toepassing is op appellanten en dat de arbeidsinschakelingsverplichtingen in beginsel voor beide echtgenoten gelden. Een vrijstelling kan alleen worden verleend bij medische, sociale of andere bijzondere redenen, die in deze zaak niet zijn gesteld of gebleken.
Verder oordeelde de Raad dat appellante geen recht had op blijvende vrijstelling op grond van artikel 26 IOAZ Pro, omdat de arbeid niet langer dan twee jaar geleden was beëindigd. Ook was er geen sprake van een toezegging die een blijvende vrijstelling garandeerde.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante terecht niet langer is vrijgesteld van de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling.