ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars wegens ontbreken kunstenaarsstatus
Appellant, die een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet ontving, deed op 16 december 1999 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik). Het College van burgemeester en wethouders van Maastricht wees deze aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan het kunstenaarsbegrip zoals bedoeld in de Wik.
Het Voorzieningenfonds voor Kunstenaars (VvK) bracht een advies uit waarin werd vastgesteld dat appellant onvoldoende presentaties had, een zwakke positie in het relevante kunstcircuit bezat en in de afgelopen drie jaar geen inkomsten uit kunstenaarschap had verworven. Dit advies was gebaseerd op een door appellant ingevuld vragenformulier met bijlagen.
De Raad oordeelde dat het advies van het VvK zorgvuldig tot stand was gekomen en dat appellant onvoldoende had aangetoond dat het advies onjuist was of dat zijn omstandigheden onjuist waren weergegeven. De toekomstplannen van appellant werden niet meegewogen, omdat het ging om de feitelijke situatie voorafgaand aan de aanvraag.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank die het bezwaar ongegrond verklaarden. Een veroordeling in proceskosten werd niet toegewezen.
Uitkomst: De aanvraag van appellant voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars is afgewezen omdat hij niet als kunstenaar kan worden aangemerkt.