ECLI:NL:CRVB:2004:AP1097
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Th. Wolleswinkel
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse volgens WAZ
Appellant, een zelfstandige in de akker- en tuinbouw, kreeg een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend op basis van een mate van 65-80%. Gedaagde stelde bij besluit de uitkering over 1998 vast op een lagere mate van 55-65%, omdat appellant inkomsten had uit werkzaamheden in het bedrijf. Appellant betwistte dit en stelde dat de inkomsten die hij als rentevergoeding had opgegeven geen inkomsten uit arbeid waren, maar uit privévermogen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de fiscale winst die appellant had opgegeven als uitgangspunt diende voor de vaststelling van de inkomsten uit arbeid. Appellant kon niet ondubbelzinnig aantonen dat de fiscale keuze niet overeenkwam met de feitelijke situatie, terwijl hij wel werkzaamheden had verricht.
In hoger beroep handhaafde de Raad dit oordeel. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en benadrukte dat de door appellant opgegeven winst, inclusief het winstaandeel uit de maatschap, als inkomsten uit arbeid moeten worden beschouwd, mede omdat appellant gemiddeld 25 uur per week in het bedrijf werkte. De rentevergoeding werd eveneens als onderdeel van de winst en dus als inkomen uit arbeid aangemerkt.
De Raad concludeerde dat het lagere percentage arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd aan gedaagde.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt bevestigd.