ECLI:NL:CRVB:2002:AD9980
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van uitspraak over toepassing artikel 33 AAW bij vaststelling inkomsten uit arbeid zelfstandige
Appellant betwistte dat bij de vaststelling van zijn inkomen over 1995 voor de toepassing van artikel 33 van Pro de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) de gehele winst uit onderneming inclusief rente-inkomsten uit liquide middelen in aanmerking mocht worden genomen. Hij stelde dat deze rente-inkomsten niet als inkomsten uit arbeid konden worden beschouwd, omdat er geen causaal verband zou zijn met zijn werkzaamheden als zelfstandig agrariër.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat volgens vaste jurisprudentie bij de vaststelling van inkomsten uit arbeid van een zelfstandige in beginsel moet worden uitgegaan van de door de fiscus aanvaarde nettowinst. Afwijking hiervan is slechts mogelijk bij bijzondere omstandigheden, die in dit geval niet zijn aangetoond. De rente-inkomsten waren boekhoudkundig verantwoord als onderdeel van de ondernemingswinst en door de fiscus geaccepteerd.
Verder stelde de Raad dat de agrarische onderneming van appellant zowel kapitaal als arbeid omvat en dat de rente-inkomsten voortvloeien uit de organisatie van de onderneming. Daarom is er wel degelijk een verband met de door appellant verrichte arbeid. Ook het standpunt dat appellant onjuist is voorgelicht door gedaagde werd verworpen, omdat uit de communicatie blijkt dat onder inkomsten uit arbeid de inkomsten uit onderneming worden verstaan.
Gelet op het voorgaande werd het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad vond geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat rente-inkomsten behoren tot de inkomsten uit arbeid voor toepassing van artikel 33 AAW.