ECLI:NL:CRVB:2004:AO5188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na medische en arbeidsdeskundige beoordeling
Appellant, sinds 1988 arbeidsongeschikt als anodiseur wegens rugklachten, kreeg een WAO-uitkering toegekend die later werd herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid (15-25%) op basis van een arbeidsdeskundig rapport dat zeven geschikte functies aanwees.
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische beperkingen en dat de bezwaarverzekeringsarts geen contact had opgenomen met zijn behandelende sector. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die tot een ander oordeel konden leiden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig was, ook zonder aanvullende informatie van de behandelende sector, aangezien appellant sinds 1990 niet meer onder behandeling was en de beschikbare medische gegevens geen aanleiding gaven tot twijfel.
Verder acht de Raad de arbeidsdeskundige schatting van de functies realistisch en actueel genoeg, ondanks dat sommige functies iets ouder waren dan anderhalf jaar. Het verzoek van appellant om een nieuw medisch onderzoek te gelasten wordt afgewezen, omdat dit niet wettelijk verplicht is bij het betwisten van de medische grondslag zonder nieuwe feiten.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Breda.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en verklaart het beroep van appellant ongegrond.