ECLI:NL:CRVB:2003:AF8437
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over terugvordering bijstand en interingsnorm bij levensonderhoud
Gedaagde ontving een bijstandsuitkering nadat zij gescheiden was gaan leven. Later ontving zij een bedrag uit de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Het college van burgemeester en wethouders vorderde op grond van artikel 82 Abw Pro een deel van de bijstand terug. De rechtbank had bij de terugvordering een interingsnorm toegepast, waarbij werd uitgegaan van een maandelijkse inname van het vermogen.
Het college stelde dat deze interingsnorm niet van toepassing is bij uitkeringsgerechtigden die direct voor hun levensonderhoud op bijstand zijn aangewezen. De Centrale Raad bevestigde dit standpunt, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad uit 1993. Er is een wezenlijk verschil tussen uitkeringsgerechtigden die eerst hun vermogen moeten aanspreken en degenen die direct afhankelijk zijn van bijstand.
De Raad oordeelde dat bij terugvordering geen rekening hoeft te worden gehouden met schulden waarvoor geen daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bestaat. De schuld aan de Rabobank werd terecht niet meegenomen omdat gedaagde deze niet aflost. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.